Ik zit samen met mijn puberzoon op de tweezitsbank bij m’n tante.
De drie andere stoelen in deze knusse woonkamer zijn bezet door mijn moeder, oom en tante.
Mijn tante in Twente – ruim honderd kilometer, én een tijdreis.
In deze kamer heb ik als kind veel gespeeld.
Thee gedronken uit deze theeglazen.
Ontbijtkoek gegeten van, misschien, ditzelfde schoteltje.
Op een eerdere versie van deze bank gezeten.
Naar hetzelfde dialect geluisterd.
Dezelfde ontspannen sfeer.
Ik voel me in een andere tijd.
Dan komt mijn neef binnen.
Zijn baard weer iets grijzer.
Ik draai mijn hoofd iets naar mijn zoon
en geef een klein zijwaarts knikje
met mijn kin.
Hij kijkt me verbaasd aan.
‘Wat?’
Ik beweeg mijn kin nog eens.
‘Toe,’ zeg ik.
‘Wat bedoel je?’
‘Schuif even op.’
Met een verbaasde blik schuift hij aarzelend een paar centimeter op.
Ik schuif iets dichter naar hem toe en mijn neef komt naast mij op de bank zitten.
Gezellig.
Vertraagd dringt de verbazing van mijn zoon tot mij door.
Want: ik zit in de woonkamer van vroeger.
Bij mijn tante, waar er ongeacht de ruimte altijd plek was voor één meer
en waar ‘even inschikken’ automatisch ging.
Mijn lijf en gedrag stappen in een reflex van toen.
En mijn zoon,
gewend aan dubbel zoveel zitplekken en de helft zoveel familie,
begrijpt niet wat ik bedoel.
In de auto vertel ik over Sinterklaasfeest met 15 familieleden in deze kamer.
Het lijkt mijn zoon technisch gezien onmogelijk.
In mijn werk gaat het veel over cultuur.
Vaak over culturen uit verschillende landen,
of over de cultuur van een organisatie.
Maar cultuur is niet alleen gebonden aan een regio, taal of plek –
ook aan een familie, of een tijd.