Overslaan en naar de inhoud gaan

Van norm naar boodschap – Meer resultaat, minder frustratie

Als een (zorg)organisatie actief aan de slag gaat met het thema gezonde leefstijl, dan wordt soms gedacht dat er behoefte is aan duidelijke normen. Maar: vaak zijn deze niet echt motiverend. Wat kan je wél doen?

Ik praat bij met een manager van een zorginstelling. We hebben net besproken hoe lastig het is om effectief aan de slag te gaan met leefstijl.

“Aan onze kennis ligt het niet hoor. Die hebben we volop in huis!” zegt hij.

“Waar ligt het volgens jou dan wel aan?” vraag ik.

Hij zegt: “Nou, het gebeurt gewoon niet. Het lijkt heel lastig voor medewerkers om er iets mee te doen.”

Dat klinkt bekend.

Mensen weten wel wat gezond is

Hoewel het bovenstaande gebaseerd is op een echt gesprek, is het geen uniek gesprek. Veel organisaties hebben volop kennis over wat een gezonde leefstijl is. Er zijn cijfers beschikbaar over het positieve effect van meer bewegen. Er wordt gesproken over beweegnormen en voedingsrichtlijnen.

Het blijkt ondanks deze kennis ontzettend lastig om echt iets te veranderen.

Soortgelijke gesprekken voerde ik met begeleiders, managers, bewegingsagogen, een directeur, teamleiders en projectleiders.

Het geldt ook voor mij!

Ook mijn eigen ervaring is niet anders. Wie mij wel eens heeft gehoord, weet dat ik het zelf een grote uitdaging vind om voldoende te bewegen.

Als het alleen aan kennis zou liggen, zou het toch juist mij als bewegingswetenschapper goed moeten lukken?! Maar helaas.

Het ligt niet alleen aan kennis

Mensen nog meer kennis geven is vaak niet het meest effectieve wat je kunt doen om gedrag te veranderen. En toch is dat wat in veel projecten gebeurt. Aan de buitenkant is de veronderstelling dat mensen het ‘blijkbaar nog niet weten’.

Maar als je eerlijk naar jezelf en je eigen uitdagingen kijkt, dan weet je toch eigenlijk best wat je zou willen of moeten doen? En waarom?

Dit dringt langzamerhand door

Toen ik een paar jaar geleden dit blog schreef over de valkuil van beweegnormen, kreeg ik een héél boos telefoontje. Hoe haalde ik het in mijn hoofd om dit te schrijven!

Maar langzamerhand verandert er iets.

Beweegnormen

De meeste mensen in Nederland hebben wel gehoord van de beweegnorm van 30 minuten bewegen per dag. Je kan van alles aan te merken hebben op deze norm (en deze is met de Beweegrichtlijnen 2017 ook aangepast). Maar laten we er voor het gemak vanuit gaan dat dit een norm is die zijn belofte waarmaakt. Als je 30 minuten bewegen per dag beweegt, draag je substantieel bij aan je eigen gezondheid.

Maar dan…

Met name voor de mensen die deze 30 minuten al halen én de mensen die geloven dat ze in staat zijn deze te halen, werkt deze norm motiverend.

Maar wat denk je dat deze norm doet voor iemand die op dit moment 5 minuten per dag beweegt? Denk je dat deze persoon hierdoor in actie komt?

Waarschijnlijk niet.

Terwijl de grootste gezondheidswinst haalbaar is voor juist deze persoon.

De paradox

Uit steeds meer onderzoek blijkt dat de gezondheidswinst al enorm is als deze persoon zou besluiten een paar minuten per dag meer te gaan bewegen. Als je van 5 minuten komt, dan levert bijvoorbeeld 10 minuten bewegen per dag je al een grote gezondheidswinst op.

Maar denk je dat dit deze persoon lukt, als hij steeds voor ogen heeft dat het er eigenlijk 30 moeten zijn….?

De omslag van norm naar boodschap

Nederland is de Nederlandse Norm Gezond Bewegen aan het herijken. Mogelijk (en hopelijk) komt hier meer aandacht voor de gevolgen van stilzitten.

Maar wat ik vooral hoop, is dat er een omslag komt van norm naar boodschap. In andere landen gebeurt dit al.

Ierland communiceert een boodschap:

“Iets is beter dan niets,
meer is beter dan iets,
en elke hoeveelheid lichamelijke activiteit draagt bij aan je gezondheid.”

En ook Japan, het land waar de 10.000 stappen norm ooit ontstond, communiceert nu een boodschap:

“ +10 ”
Iedere inwoner,
ongeacht of deze de norm haalt of niet,
zou 10 minuten per dag meer moeten bewegen

Know-do-gap

In onderzoeken wordt steeds vaker gesproken over de ‘know-do-gap’, een term die ook bij de WHO wordt gebruikt. De kennis is er wel, maar mensen doen het niet. Dat geldt trouwens niet alleen voor individuen en hun leefstijl, maar ook voor organisaties. Er is wel kennis, maar deze wordt niet (of niet op de juiste manier) toegepast.

Vervolgens is er ook nog eens de ‘intention-behaviour-gap’. We zijn het wel van plan, maar komen er toch niet toe om iets (duurzaam) te veranderen.

Naar mijn idee heeft het dan ook weinig zin om dezelfde norm maar te blijven herhalen.

Norm en boodschap binnen woonzorginstellingen

Ook binnen zorginstellingen geldt dat het heel goed zou zijn om de norm en de boodschap van elkaar te scheiden.

  • Hoe mooi zou het zijn, als iemand die nu helemaal nooit wandelt nu eens per week 5 minuten zou gaan wandelen?
  • Hoe geweldig zou het zijn, als iemand die nooit fruit eet eens per week een fruitshake drinkt?
  • Hoe groot zou de stap zijn als een verstokte roker 2 sigaretten per dag minder zou roken?

Normen behaal je dan niet. Maar resultaten wel…

En de manager?

Ja, het zou heel goed kunnen dat de manager alle kennis over gezonde leefstijl in huis heeft. De uitdaging is vervolgens om niet alleen uit te gaan van feiten en normen. Maar juist kennis over menselijk gedrag mee te nemen in dit soort projecten. Want dan kom je toch échte resultaten.

Meer weten?

Wil je meer leren over motiveren?

Dit artikel schreef ik in juni 2016 en heb ik in oktober 2022 opnieuw gepubliceerd.

De valkuil van 10.000 stappen (en elke andere gezondheidsnorm)

In mijn trainingen laat ik deelnemers gedragsverandering eerst zelf ervaren. Dit geeft vaak heel veel inzicht en zorgt voor een andere manier van kijken naar cliënten. Dit deed ik ook bij een groep begeleiders die werkzaam zijn bij een zorgorganisatie voor mensen met een verstandelijke beperking.

12 persoonlijk begeleiders meldden zich aan voor de training over motivatie Zij willen graag leren hoe ze hun cliënt kunnen motiveren om meer te bewegen.

Eén van de thema’s is dat het niet altijd handig is om over normen te praten.

Je leert het meeste door zelf te ervaren

Anno 2022 weten veel mensen wel ongeveer hoeveel ze zelf op een dag bewegen. Maar op het moment van deze training in 2014* was dat nog niet zo.

Een aantal mensen schatte in dat ze de 10.000 stappen wel makkelijk zouden halen. Een aantal anderen keken bedenkelijk. Want jeetje, is dat niet erg veel?

Om dit echt te onderzoeken, kregen alle cursisten een stappenteller mee naar huis.

De ervaringen

Na een paar weken ontmoet ik Stefanie op haar eigen locatie. Ze loopt als begeleider heel veel en dacht met gemak aan de 10.000 stappen te komen. Maar: na haar eerste werkdag is de teller blijven steken op ongeveer 6.000 stappen…

De dag erna deed ze er letterlijk een stapje bovenop. Ze pakte de trap in plaats van de lift en bracht alle collega’s koffie. Maar helaas is ze niet verder dan 7.000 stappen gekomen…

Die stappenteller mag je terug!

Stefanie vindt het niet echt motiverend, zo’n stappenteller. Het gaat haar nooit lukken die 10.000 stappen.

Die stappenteller? Die mag ik meteen weer meenemen.

Wat ging er mis?

Eigenlijk heeft Stefanie een geweldige vooruitgang geboekt. Van 6.000 stappen naar 7.000 stappen per dag, met alleen maar een paar kleine aanpassingen. Dat is 17% meer bewegen, zonder extra tijd of kosten!

En toch is Stefanie ontevreden en niet meer gemotiveerd.

De valkuil

Precies dat is de valkuil van normen. Door te kijken naar deze 10.000 stappen, heeft ze het gevoel dat ze het niet kan. Ook niet op het moment dat het al veel beter gaat. Het voortdurende gevoel van ‘niet halen’, zorgt ervoor dat haar motivatie verdwijnt.

Natuurlijk geldt dit niet alleen bij de 10.000 stappen norm.

  • Als je wilt stoppen met roken, kan je gefrustreerd raken als je er tóch nog één hebt gerookt. Terwijl je er misschien al 10 per dag minder rookt…
  • Als je gezond wilt eten, baal je misschien dat je tóch taart hebt genomen. Terwijl je voor je ontbijt en lunch al heel gezonde keuzes hebt gemaakt…

Dit geldt ook voor jouw cliënten

Dit geldt ook voor jouw cliënten.

Als jullie praten over algemene normen of doelen, dan is het niet zo eenvoudig om onderweg gemotiveerd te blijven.

En wat wel?

Wat je wel kunt doen:

Kijk terug in plaats van vooruit. Kijk in gesprekken niet steeds hoe dicht ben je al bij het doel bent, maar kijk juist regelmatig terug. Wat is er nu al anders dan toen je begon?

Ga uit van jezelf. Vergelijk jezelf niet met anderen, maar met jezelf. Dat motiveert veel meer. Dat geldt voor cliënten én begeleider. En zeker ook voor de trainer ;-).

Meer weten?

Wil jij nóg beter leren motiveren?

Dit blog schreef ik in maart 2014. In oktober 2022 heb ik het opnieuw geplaatst.

tafel dekken

Hoe ga je in gesprek over meer bewegen?

Meer bewegen in het dagelijks leven is vaak makkelijker in te passen en vol te houden dan gaan sporten. Maar hoe voer je zo’n gesprek over bewegen? 

Bewegen is belangrijk! In voorbereiding op de Beweegrichtlijnen 2017* heeft de Gezondheidsraad onderzoek gedaan naar de effecten van bewegen. Hun conclusie is dat bewegen aantoonbaar invloed heeft op de gezondheid van mensen.

Bewegen is goed!

Als ik op woonlocaties kom is iedereen het er ook wel over eens: bewegen is een goed idee!

Vaak gaat een gesprek daarna al snel over die ene bewoner, die helemaal niet houdt van bewegen. Ze wil niet sporten en is ook moeilijk te motiveren tot activiteiten.

Zo is het ook met Anette*. Anette houdt niet van sporten en gaat ook niet graag fietsen of wandelen. Haar begeleiders hebben al verschillende opties met haar besproken, maar Anette wil niet mee. In het overleg wordt duidelijk dat Anette thuis ook veel stil zit. Ze kijkt televisie of ze zit de hele avond aan tafel te knutselen.

Wat gaat er al wél goed?

Het team geeft aan dat er een paar dingen zijn waar Anette wél voor in beweging komt. Ze houdt namelijk erg van koken en alles wat daar bij hoort. Ze vindt het bijvoorbeeld leuk om de tafel mooi te dekken.

We spreken af dat het team eerst met Anette gaat kijken naar bewegen in het dagelijks leven, vanuit de dingen die ze leuk vindt om te doen. De focus ligt op minder lang achter elkaar stilzitten. Over sporten gaan we het even niet meer hebben.

In gesprek met Anette

Haar PB-er is opgelucht. Zij had het idee dat Anette toch eigenlijk gestimuleerd moest worden om te gaan sporten maar ze wist niet hoe ze dat nu verder aan moest pakken. Dat zij nu met Anette in gesprek kan over wat zij leuk vindt om te doen in het dagelijks leven is een fijn vooruitzicht.

En sporten dan?

Sporten heeft allerlei gezondheidsvoordelen. Maar genoeg bewegen in het dagelijks leven is minstens zo belangrijk en vaak veel beter vol te houden. Onderdeel van de Beweegrichtlijn is het advies om niet te veel of te lang te zitten. Dit is vaak een veel haalbaarder doel voor cliënten en hun begeleiders.

Herken je dit?

Wil jij ook in gesprek met jouw cliënt over bewegen in het dagelijks leven? Daarvoor zijn een aantal hulpmiddelen die je kunnen ondersteunen in een gesprek.

  • MijnBeweegPlan is in 2016 ontwikkeld door Mariëlle Tromp, in afstemming met professionals van verschillende woonzorginstellingen. Je downloadt MijnBeweegPlan via het formulier hieronder.
  • De Beweegposter is ontwikkeld binnen het consortium Sterker op Eigen Benen. Je downloadt de Beweegposter hier >>

Beide tools zijn gratis te downloaden en te gebruiken.

*) Anette is een fictieve cliënt. Haar verhaal is gebaseerd op echte verhalen van verschillende teams. Dit artikel schreef ik in 2018 en is in oktober 2022 opnieuw geplaatst.

keuze maken welke pet

Waarom de eigen fysiotherapeut niet altijd de juiste coach voor het team is

Soms reageren mensen verbaasd als ze horen welke rol ik binnen sommige woonzorginstellingen heb. ‘Daar is toch alle expertise in huis? Waarom zetten ze hun eigen experts dan niet in?’ Daar ben ik helemaal voor! Maar: het is niet zo eenvoudig om als beweegexpert een heel andere rol aan te nemen. 

Regelmatig word ik gevraagd om op woongroepen mee te lopen en mee te denken over het bewegen van cliënten. Zo’n traject is kort en krachtig. Vaak gaat het team daarna daadwerkelijk aan de slag met kleine veranderingen. Soms is er echt een sneeuwbaleffect: na het ene kleine resultaat ontstaat weer inspiratie voor een volgende kleine verandering. Op sommige locaties is er na een jaar veel veranderd, helemaal op eigen kracht van het team!

Beweegexpert of coach – wat zijn de verschillen?

Het traject is de LeefstijlScan*. Deze voer ik zelf uit, of ik leid binnen de woonzorginstelling coaches op om deze uit te voeren.

Deze coaches zijn bijna nooit fysiotherapeuten, ondanks hun grondige kennis van bewegen. Want er wordt een heel andere rol gevraagd.

Ik zie de volgende verschillen:

Een fysiotherapeut is deskundig op het gebied van bewegen

Een fysiotherapeut is inhoudelijk zeer deskundig op het gebied van bewegen. Hoewel er uitzonderingen zijn, wordt een fysiotherapeut meestal ingezet voor één specifieke cliënt met klachten die (onder andere) te maken hebben met ‘het bewegingsapparaat’.

Fysiotherapeuten zijn, zeker binnen de verstandelijk gehandicaptenzorg, ontzettend creatief in hun behandeling. De focus ligt bij de cliënt en begeleiders worden betrokken bij het ondersteunen en uitvoeren. Vaak is de behandeling afgelopen wanneer de klacht is verdwenen.

Een coach is deskundig in het motiveren van begeleiders

Een coach, zoals deze bij de LeefstijlScan wordt ingezet, is heel goed in het coachen en motiveren van begeleiders.

Het gespreksonderwerp is de cliënt maar dan in brede zin. Bijvoorbeeld: ‘Hoe kunnen we met onze beperkte tijd toch cliënten stimuleren tot meer bewegen?’. Regelmatig zijn er daarbij wel vragen over specifieke cliënten, maar wordt er naar de hele situatie van cliënten én begeleiders gekeken.

Uitdagingen bij het combineren van de rollen

Coach of expert: het gaat zoals je ziet om heel andere rollen. Een fysiotherapeut die beide rollen op zich neemt, moet daar rekening mee houden.

Een praktische uitdaging heeft te maken met de manier van organiseren:

  • de fysiotherapeut heeft tijd nodig die niet gelabeld is aan één cliënt, maar aan een team,
  • er moet de mogelijkheid zijn om tijd in te zetten voor preventie in plaats van behandeling,
  • het team moet beseffen dat zij de focus zijn van het traject.

Een andere uitdaging heeft te maken met de verschillende ‘petten’ die iemand tegelijkertijd op heeft:

  • de fysiotherapeut moet niet alleen de vaardigheden hebben om het team te kunnen coachen,
  • ze moet kunnen schakelen tussen beide rollen,
  • en het team moet de rol van dat moment zien én accepteren.

Niet eenvoudig, maar zeker mogelijk

Het combineren van deze rollen is niet eenvoudig, maar zeker wel mogelijk. De fysiotherapeut zal niet alleen haar coachende vaardigheden verder moeten ontwikkelen, maar de organisaties zal dit ook moeten ondersteunen door het beschikbaar stellen van tijd.

In sommige gevallen is het eenvoudiger om deze nieuwe rol onder te brengen bij iemand anders of binnen een project.

Meer weten?

Wil je meer weten of eens van gedachten wisselen? Ik ga graag met je in gesprek. Neem dus gerust contact met mij op.

*) Dit blog schreef ik in mei 2017, toen ik de LeefstijlScan die ik had ontwikkeld bij veel organisaties implementeerde. Inmiddels is mijn werkwijze iets aangepast. Neem contact op als dit verhaal je aanspreekt, ik vertel je er graag over.

Coachen als bewegingsagoog – Hoe behoud je je werkplezier?

De veranderingen in de zorg hebben ook invloed op de inhoud van functies. Een nieuwe rol kan voor spanningen zorgen. Ik ga dan met een team op zoek naar manieren om deze rol goed in te vullen en het werkplezier terug te krijgen.

Thea* is bewegingsagoog bij een zorgorganisatie die mensen met een verstandelijke beperking begeleidt. Voorheen werkte ze alleen met cliënten. Door een reorganisatie heeft ze er de rol van beweegcoach bij gekregen.

Ik mocht Thea en haar collega’s ondersteunen bij het ontwikkelen van hun coachende vaardigheden. Het is namelijk niet eenvoudig om een nieuwe rol te gaan vervullen. Thea en haar collega’s hadden vele jaren ervaring als bewegingsagoog en nu werd van hen gevraagd om óók als beweegcoach te gaan werken.

Een belangrijk onderdeel van de training is het oefenen hoe je in een coachende rol stapt.

Afgelopen week sprak ik Thea en ik vroeg haar hoe het nu gaat.

Thea, wie ben je en wat was er aan de hand?

“Ik werk hier nu bijna 25 jaar als bewegingsagoog. Door bezuinigingen en een reorganisatie een paar jaar geleden konden we ons eigen zwembad en de gymzaal niet meer gebruiken. Ook moesten we collega’s op de woonlocaties gaan coachen. Daar gaat nu ongeveer een derde van mijn tijd aan op. Mijn rol naar cliënten is gelukkig niet veranderd, en dat werk is nog even leuk.”

Maar je rol richting collega’s toe is dus echt veranderd.

“Klopt, en ik vind het best lastig als collega’s me zien als ‘wéér iemand die wat van ze wil’. Terwijl mijn intentie is: samen kijken wat mogelijk is en laten zien dat er meer kan dan men denkt. Gelukkig trekken sommige collega’s zelf aan de bel. Dat is veel makkelijker: dan gaat het om concrete vragen en meedenken met mensen die er echt voor openstaan. Maar er zijn ook locaties waar ik mezelf moet introduceren. En hoe profileer je jezelf dan hè?”

Wat waren eyeopeners voor jou in traject dat we het afgelopen jaar doorliepen?

“De fasen van gedragsverandering waren voor mij en de andere bewegingsagogen een wake-up call. We waren net begonnen als coach en de oplossingen die wij aandroegen veranderden niet veel. Nu weet ik dat dat niet kan en ook niet wenselijk is. Het was fijn om al onze vragen en twijfels met jou te kunnen bespreken. Jouw positiviteit is enorm inspirerend. Elke keer liet je ons kijken naar wat wél mogelijk is. Dat proberen we in alle overleggen en gesprekken mee te nemen. Je hebt ons ook laten zien dat wij geen oplossingen hoeven aan te dragen. Dat moeten de teams op de woonlocaties zelf doen, en als zij er niet achter staan, gebeurt er niets.”

We hebben ook veel aandacht besteed aan oplossingsgericht werken. Hoe pas jij dit toe?

“Ik was zelf altijd vooral bezig met dingen die niet liepen. Zo wilden wij ons graag op de woonlocaties bij een teamoverleg presenteren, maar het lukte me niet dit op de rails te krijgen. In jouw training hebben we het hier over gehad en toen ben ik het anders gaan aanpakken. Nu probeer ik op een locatie te laten zien – in plaats van te vertellen – wat ik kan betekenen. Ik leer de cliënten en medewerkers kennen, en dan komen de gesprekken vanzelf. Dit werkt voor mij veel beter dan een presentatie in een teamoverleg.”

Kun je een voorbeeld noemen?

“Ik was een keer bij een beweegactiviteit toen een cliënt vroeg of de begeleider iets voor hem wilde pakken. Ze stond direct op. Ik zei dat de cliënt dat zelf kon, en dat was ook zo. Voor deze begeleider was dit een omslagpunt. Ze heeft wat aanpassingen aan haar lokaal gedaan waardoor cliënten nu makkelijker zelf dingen kunnen pakken en opruimen. Een andere keer gaf ik wat praktische tips voor een beweeggroepje. Mijn collega’s hebben die tips uitgerold naar de dagelijkse praktijk. Als een cliënt iets niet zelf kan oppakken, dan doen ze het niet vóór de cliënt maar samen mét de cliënt. Ze nemen ook minder vaak direct iets over en wachten eerst even af.”

(Een kleine opmerking van mij, Mariëlle: Deze aanpak past niet helemaal bij oplossingsgericht werken. Wat daar wél bij past is de vraag: Werkt het? Ja? –> Laat het dan zo. Dit werkte goed voor Thea én voor de begeleider en er is dus geen reden om dit anders te doen.)

Wat als het je niet lukt om mensen in beweging te krijgen?

“Tja, loslaten speelt daarin een grote rol. De theorie begrijp ik: als je weet waar je invloed ligt kun je betere keuzes maken. Dankzij jou weet ik nu hoe ik in mijn werk meer kan bereiken, en dat is enorm motiverend. Ik heb alleen de neiging om méér te willen en ben nog steeds aan het leren om los te laten waar ik geen invloed op heb. Dat gaat steeds beter.”

Heb je nu, een jaar later, nog steeds iets aan mijn training?

“Laatst heb ik, voordat ik naar een teamoverleg ging, een stuk van jouw training nog eens doorgenomen. Het lukte in dat overleg beter om dingen terug te geven aan het team. Ik denk ook vaak terug aan jouw uitspraak: ‘Je hebt geen invloed of mensen iets doen met jouw tips en adviezen. Je kunt mensen niet veranderen. Je kunt het alleen aantrekkelijk voor ze maken!’ “

Heb je tips voor bewegingsagogen die ook in zo’n situatie zitten?

“Wat voor mij echt heel goed werkt, is om eerst te focussen op de mensen en de situatie écht leren kennen voordat je adviezen gaat geven. Zo kun je veel meer bereiken.”

*) Thea is een gefingeerde naam in verband met de privacy. Haar verhaal is echt het verhaal van één bewegingsagoog. Haar ervaring heb ik tot een blog verwerkt in december 2016. In oktober 2022 heb ik het op details aangepast en opnieuw gepubliceerd.

Bewegingsagoog versus beweegcoach – 3 verschillen

Onlangs startte ik met een nieuwe groep bewegingsagogen. Zij worden opgeleid om (ook) een rol als beweegcoach op te pakken. Bewegingsagoog versus beweegcoach. We discussieerden over de verschillen.

Veel ergocoaches hebben te maken met veranderingen in hun werk. De financiering van bewegingsagogie verandert* en daarmee ook de tijd die er besteed kan worden aan het 1-op-1 begeleiden van cliënten.

Tegelijkertijd is de noodzaak van meer aandacht voor leefstijl duidelijk. Ook de meeste managers en bestuurders voelen: we moeten nú wat doen! Begeleiders moeten ondersteund worden bij dit thema.

De bewegingsagoog als logische keuze?

Er is een groep mensen die minder uren kan besteden aan het 1-op-1 begeleiden van cliënten. Bewegingsagogen, dus mensen die zelfs heel enthousiast zijn over bewegen. En tegelijkertijd lijkt er behoefte te zijn aan ondersteuning van teams. Dat komt mooi uit! Toch…..?

Bewegingsagogen die gaan coachen: is dat handig?

Bewegingsagogen zijn net als alle mensen. Als je een verandering van hen vraag is daarvoor motivatie nodig. Eén van de aspecten van motivatie is de vraag of je denkt deze rol te kunnen vervullen. Hoe haalbaar is het om als bewegingsgoog opeens ingezet te worden als beweegcoach? Wat zijn de belangrijkste verschillen?

Verschil 1 – Andere doelgroep

Als bewegingsagoog werk je vaak rechtstreeks met cliënten. Natuurlijk heb je te maken met het team, maar er is ook 1-op-1 contact.

Als beweegcoach is je belangrijkste taak meestal het ondersteunen van begeleiders. Je hebt geen of veel minder direct contact met cliënten. Het beweeggedrag van een cliënt beïnvloed je alleen via de begeleiders er om heen.

Verschil 2 – Andere taak

Als bewegingsagoog is je taak om door middel van bewegen met een cliënt een bijdrage te leveren aan zijn of haar ontwikkeling. 

Stel dat een fotograaf je een dag zou volgen, dan schiet deze prachtige aansprekende plaatjes van jouw werk met cliënten. Je bent op locaties, in een zaal met mooie materialen of aan het wandelen.

Als beweegcoach is je taak vaak om begeleiders te ondersteunen. Om hen te motiveren om kleine veranderingen door te voeren in de dagelijkse routines.

Stel dat een fotograaf je een dag zou volgen, dan zien de foto’s er heel anders uit. Je zit aan de telefoon, misschien achter de computer of je sluit aan bij een teamoverleg. Er zijn letterlijk veel minder cliënten in beeld.

Verschil 3 – Andere succesbeleving

Wanneer heb je als bewegingsagoog een succesvolle week gehad?

Waarschijnlijk denk je dan aan alle cliënten die je hebt begeleid in het zwembad, in de sporthal, op de fiets, binnen hun dagbesteding of wandelend. Hun beweging is jouw resultaat. Een fijn gevoel!

Wanneer heb je als beweegcoach een succesvolle week gehad…?

Als je nu vasthoudt aan dezelfde succesbeleving, dan wordt het heel lastig om voldoening te halen uit je werk. Je kunt namelijk niet zo eenvoudig een lijstje maken met cliënten die je hebt geholpen en de resultaten die dat voor hen heeft opgeleverd.

Je week heeft niet méér of minder resultaat. Maar je zult wel op zoek moeten naar nieuwe criteria voor succes. Die zijn heel persoonlijk en voor iedereen anders.

Van bewegingsagoog naar beweegcoach – Moeten we dat willen?

De meeste bewegingsagogen zijn dit in hart en nieren. Hun beroep is een ambacht. Ze zijn er in opgeleid, maar hebben het pas écht geleerd in de vele jaren die ze voor een zorgorganisatie werken. Ze kozen dit beroep voor hun leven.

Maar opeens wordt het anders. Tijden veranderen. En in veel gevallen heb je het hier gewoon mee te doen. Je hebt geen invloed om het terug te draaien, maar wel invloed op hoe je je nieuwe rol wilt invullen.

Waar ik voor wil pleiten, is om dit proces tijd te geven. Ik hoop dat teamleiders, managers én bewegingsagogen zich gaan realiseren dat het mogelijk is om een andere rol te vervullen. Maar dat hier wel tijd, begeleiding en training voor nodig zijn.

Meer weten?

Wil je meer weten over mijn ervaringen en wat ik mogelijk voor jullie kan betekenen? Neem dan gerust contact met me op, ik denk graag met jullie mee.

*) Dit blog schreef ik in januari 2017. Ik publiceerde het opnieuw in oktober 2022. De situatie rondom de verschillende rollen van bewegingsagogen is voor veel organisaties nog steeds actueel.

Een gezonde leefomgeving

Een gezonde leefomgeving is belangrijk in de ondersteuning van een gezonde leefstijl van mensen met een verstandelijke beperking. Maar wat is dat nou? En wat vinden met een verstandelijke beperking zélf belangrijk in die ondersteuning? Kristel doet hier onderzoek naar* en deelt haar bevindingen.

Kristel Vlot-van Anrooij is gezondheidswetenschapper. Zij doet bij de academische werkplaats Sterker op eigen benen van het Radboudumc promotieonderzoek naar gezondheidsbevordering voor mensen met een verstandelijke beperking. Zij richt zich daarbij op een gezonde leefomgeving.

Na vele interviews kwam zij – samen met haar co-onderzoekers Henk en Anneke – tot 13 thema’s die belangrijk zijn. Deze zijn onderverdeeld in 3 groepen.

Het uitlegblad en het bespreekblad kan je vrij downloaden en gebruiken.

Groep 1: Mensen

De eerste groep thema’s heeft te maken met ‘mensen’. Hierbij kan je onder andere denken aan de mensen rondom een cliënt en de verschillende dingen die zij kunnen doen.

Een voorbeeld is dat een team van begeleiders samen bespreekt hoe zij een cliënt kunnen ondersteunen bij een gezonde leefstijl.

Groep 2: Plekken

De tweede groep thema’s heeft te maken met plekken. Het kan gaan om wat er aanwezig is op de locatie, maar ook in de omgeving.

Een voorbeeld is een innovatieruimte van een zorgorganisatie. Dit kan helpen om te kijken welke hulpmiddelen een cliënt kunnen ondersteunen.

Groep 3: Voorwaarden

De derde groep thema’s is wat abstracter en heeft onder andere te maken het beleid van de zorgorganisatie, de financiën of de mogelijkheden binnen een gemeente.

In de interviews werd bijvoorbeeld benoemd dat het fijn is als zorgprofessionals binnen de organisatie ook preventief kunnen worden ingezet. Dus niet alleen bij een probleem, maar juist vooraf meedenken.

Wat levert dit onderzoek op?

Dit onderzoek levert uiteindelijk een overzicht op van wat er nodig is. Ook komt er een omgevingsscan, waarmee je kunt bepalen hoe het staat met een gezonde leefomgeving. Deze omgevingsscan is op dit moment nog niet beschikbaar.

Beschikbaar: verschillende downloads

Kristel heeft een aantal tools waar je wel meteen mee aan de slag kunt. Deze zijn vrij te downloaden (klik en een nieuwe pagina met de PDF verschijnt – deze kan je downloaden en/of printen):

  • Een uitlegblad. Hierop worden de verschillende thema’s die een rol spelen uitgelegd.
  • Een bespreekblad. Dit kan bijvoorbeeld in een teamvergadering gebruikt worden.

Door met deze bladen aan de slag te gaan krijg je een overzicht van wat er allemaal invloed heeft in de leefomgeving van cliënten. Mogelijk geeft dit weer nieuwe, praktische ideeën.

Meer over Kristel en haar onderzoek

*) Dit blog werd geschreven in oktober 2019. Inmiddels is Kristel in oktober 2021 gepromoveerd. Je downloadt haar proefschrift én de toegankelijk geschreven versie (aanrader!) op deze promotiepagina.

Motiveren is een vaardigheid

Hij gooit het ziekenhuislaken van zich af. Hij kijkt onrustig om zich heen, frommelt zijn shirt omhoog en begint de kabeltjes van de hartbewaking los te maken. ‘We gaan toch? Hoe zit dat met betalen hier?’

Hij heeft een bypass gekregen. Operatie geslaagd. De patiënt is alleen nogal in de war.

En die patiënt, dat is mijn vader.

De verpleegkundige is geweldig. Ongetwijfeld is hij goed in zijn medisch handelen, reanimeren, wondverzorging en wat al niet meer. Maar het enige wat nu belangrijk is, is zijn vaardigheid om te verbinding te maken met deze man. Om te observeren maar vooral aan te sluiten, contact te maken en aan te voelen.

Soft skills van een zorgverlener

Wat geldt dat voor veel beroepen.

Hoeveel procent van het (behandel)resultaat zal afhangen van de zogenaamde ‘soft skills’ van een zorgverlener? Of meer specifiek: van de vaardigheid om aan te sluiten en te motiveren?

  • Een fysiotherapeut kan goed zijn in zijn vak. Maar pas als hij een cliënt weet te motiveren om thuis te oefenen, zal het resultaat van zijn behandeling optimaal zijn.
  • Een arts kan de beste behandeling voorstellen. Maar pas als haar patiënt de medicatie ook echt inneemt, zal dit tot resultaten leiden.
  • De projectleider kan een perfect projectplan maken. Maar pas als zij zowel locaties als management ‘mee’ krijgt kan dit leiden tot een behalen van de doelen.

Een aangeboren talent of een aan te leren vaardigheid?

Vaak denken mensen dat het hier om talenten gaat.

‘Je moet er gevoel voor hebben’.

Of:

‘Dat komt pas met jaren ervaring’.

Ik zie het als vaardigheid. Aansluiten, motiveren, beïnvloeden en enthousiasmeren: het zijn gewoon vaardigheden. Aan te leren, in te trainen en te verbeteren.

Vallen, opstaan en weer verder gaan

Natuurlijk helpt het als een er een beetje aanleg voor hebt. Net als het helpt om motorisch een beetje handig te zijn als je leert fietsen. Maar ook al ben je motorisch niet zo handig, de kans is groot dat je wél kunt fietsen. Door oefenen, vallen, weer opstaan en weer verder gaan.

Zo heb je als fysiotherapeut ook geleerd om te masseren, als arts om een behandelplan te maken en als projectleider om effectief een vergadering te leiden. Dat ging echt niet van de één op de andere dag goed.

Motiveren is een vaardigheid

Het gekke is: Met leren motiveren en enthousiasmeren gaan mensen heel anders om dan met leren fietsen.

Zo hebben mensen de neiging om te blijven herhalen wat ze al deden, ook als het niet werkt. Ze leggen nóg een keer uit waarom dit belangrijk is. Doen het nóg een keer voor. Nemen het nóg een keer over of maken wéér een afspraak die vervolgens met hetzelfde patroon verloopt.

Alsof je steeds achterstevoren op je fiets blijft stappen.

Als het niet werkt

Regelmatig hoor ik van professionals in zorg, welzijn en onderwijs: het werkt niet. Daarbij hoor ik één van de volgende gedachten:

  1. Ik kan er niets aan doen. Het lukt niet vanwege omgevingsfactoren (te weinig tijd, middelen, medewerking van de organisatie) of vanwege de ander (die wil niet of heeft weerstand).
  2. Ik kan het niet. Ik heb geen talent voor enthousiasmeren en motiveren en kan dat beter aan anderen overlaten.
  3. Ik kan nog niet in alle gevallen goed motiveren en enthousiasmeren. Daar kan ik nog het één en ander leren.

Wat ze eigenlijk zeggen is:

  1. Het probleem ligt niet bij mij, dus ik kan het niet oplossen.
  2. Dit kan ik niet.
  3. Dit kan ik nog niet zo goed.

Wat denk jij: welke gedachte is het meest behulpzaam? Welke gedachte leidt niet alleen tot de grootste kans op resultaten, maar ook tot een fijne manier van werken voor jezelf?

De tegenstelling

Het wordt steeds belangrijker om vaardigheden te ontwikkelen op het gebied van motiveren, coachen en anderen ‘mee krijgen’. Dat geldt voor zorgverleners, hulpverleners en docenten. Maar ook voor projectleiders, managers en eigenlijk iedereen die te maken heeft met anderen.

Deelnemers aan mijn trainingen geven allemaal aan dat iets beter leren motiveren leidt tot veel meer resultaat van hun werk. Daarnaast leidt het ook tot meer werkplezier, omdat duidelijk is waar ze wel en geen invloed op hebben.

Het is verrassend hoe weinig aandacht er in veel opleidingen is voor dit soort vaardigheden. Terwijl dit het succes van je werk én het plezier in je werk bepaalt.

Loop jij hier tegenaan?

Herken jij dat het soms lastig is om anderen te motiveren?

Mijn advies is om eens goed op te letten wat hier je gedachten en overtuigingen zijn.

  • Wat ligt bij de ander?
  • Wat ligt bij jou?
  • En wat kan je hier zelf in verbeteren of trainen?

Mogelijk levert je dit al veel inzicht op!

En wil je meer leren over motiveren? Dan ben je van harte welkom bij een training.

En mijn vader?

Ik schreef dit blog in mei 2018, nadat mijn vader een ernstig delier had. Nu, een paar jaar later, kijk ik terug op jaren waarin ik veel met hem beleefd heb. Binnen en buiten de zorg. Prachtige ervaringen en schrijnende situaties. Inmiddels is mijn vader overleden en denk ik nog na wat ik met al deze verhalen kan doen.

geen paniek met de fasen van gedragsverandering

Er klimt een rat langs mijn been omhoog…

In dit artikel deel ik met je hoe het denken in fasen mij vaak helpt in lastige situaties. Het zorgt ervoor dat ik niet allerlei emoties tegelijkertijd ervaar, maar dat ik sommige kan uitstellen of parkeren. 

Zo gaat het ook als je leert werken met de Fasen van Gedragsverandering. Je kunt sommige acties, maar ook sommige frustraties, even parkeren tot het moment dat het wél effectief is. Fijn toch? 

Het is juni 2022. Ik ben samen met mijn jongste zoon in zijn net geschilderde kamer, want hij is onlangs naar zolder verhuisd. 

En er klimt een rat langs mijn been omhoog. 

Hoe ben ik hier nu in verzeild geraakt?! En waarom was ik wel enigszins gespannen, maar niet in paniek?

Even terug naar het begin

Wie mij een beetje kent die weet dat ik niet zo gericht ben op dieren. Grappig genoeg ben ik al 23 jaar vegetariër en heb ik wel veel respect voor ze. Maar ik ben liever niet te dicht bij ze in de buurt. 

Maar ja. Ik ben niet de enige bewoner in ons huis. En dit voorjaar bleek dat mijn jongste zoon toch écht heel graag dieren wilde toen hij opeens zei: ‘Een hond kan bij ons niet he?’ 

Door deze vraag hadden we wel een gesprek over huiddieren. Welke dieren hebben andere mensen? Welke dieren hebben wij vroeger gehad?

En zo kwam het gesprek op ratten. 

Mijn zoon ging google-en en hij kwam erachter dat je veel leuke dingen kunt doen met ratten. En hij vroeg zich af: zou ik misschien een rat kunnen hebben als huisdier? 

En hier kwam het denken in processen van pas

Ik had een dilemma

Als iemand had gevraagd: wil jij ratten? Dan was mijn antwoord nee geweest. Maar dat was hier niet het geval. We waren op zoek naar ‘iets’ voor mijn zoon. En nu kwam de optie van ratten voorbij. 

Heel dapper (vind ik) besloot ik dit proces stap voor stap te bekijken. Net als het werken met de fasen van gedragsverandering

Stap 1 Ben ik bereid er over na te denken? 

precontemplatiefase

De eerste fase van gedragsverandering is de onbewuste fase. Aan iemand in deze fase vraag je niet of ze wil veranderen, want het antwoord is dan waarschijnlijk nee én je creëert er weerstand mee. Wat je wel wilt doen is onderzoeken of iemand ervoor open staat om er over na te denken. 

Ik besloot dat ik bereid was erover na te denken. Dat gaf ik ook aan bij mijn zoon. Het was absoluut niet zo dat er was besloten dat hij huisdieren mocht, maar we zouden een periode nemen om er open over te praten en na te denken.

Stap 2 Wat zijn voor- en nadelen? 

contemplatiefase

Vervolgens namen we de tijd om er eens over na te denken. De stages of change hebben het over de overwegende fase. Ik vroeg aan mijn zoon onder andere: 

  • Waarom wil je eigenlijk ratten? 
  • Wat denk je dat je met ze gaat doen? 
  • Wat denk je dat zij gaan doen? 
  • Hoe ga je ervoor zorgen? Wat doe je bijvoorbeeld in de vakantie?
  • Zijn er alternatieven? Is een cavia bijvoorbeeld niet net zo leuk ;-)? 

Ondertussen dacht ik ook na over mijn eigen voorwaarden. Al googelend natuurlijk, want ik wist eigenlijk niet eens hoe een tamme rat er uit zag. 

Stap 3 Voorbereiden

preparatiefase

We waren nog steeds aan het overwegen, maar wel duidelijk een stapje verder. We gingen de optie van ratten concreter onderzoeken. Binnen de stages of change kan je dit ook als overwegen zien, maar het voelde als een volgende stap. 

Want het was duidelijk. Cavia’s zijn blijkbaar niet net zo leuk. En ratten waren nog steeds geweldig. Een paar praktische uitdagingen waren opgelost. En ik had mijn voorwaarden helder voor als we ratten zouden krijgen. 

Het was  dus nog niet besloten dat ze er zouden komen. Maar wel dat we een volgende stap gingen nemen. Voor mij betekende dat dat ik wel eens zo’n beestje wilde zien. En ook dat ik mijn zoon graag met zo’n beestje wilde zien, want stel je voor dat hij hem niet eens durfde op te pakken of zo. 

En zo stapten wij in de auto en gingen op weg naar een rattery. Dat blijkt dus een rattenfokker te zijn, want mijn zoon had gelezen dat dit een veel betere keuze is dan via bijvoorbeeld een dierenwinkel. Hier aangekomen besloot ik op ruime afstand van alle ratjes te blijven, wat gelukkig ook prima was voor iedereen. En mijn zoon stond te glimmen met een ratje op zijn arm….

Op dat moment werd de knoop doorgehakt. Het was duidelijk. Mijn zoon vond de ratjes geweldig. En ik vond mijn zoon met ratjes geweldig.  

Stap 4 Actie

actiefase

Toen was het tijd voor actie. 

Nog niet om de ratjes te kopen. Want er moest in huis nog wel wat veranderen. Eén van de voorwaarden was namelijk dat onze nieuwe huisgenoten op zolder zouden wonen ;-). Er werd verhuisd en geschilderd. Ook kochten we een kooi via Marktplaats, die mijn zoon opknapte. En onderzocht hij waar hij de ratjes (want het waren er inmiddels al 3) zou kopen.

Toen we uiteindelijk zijn 3 jonge ratjes gingen ophalen, was het proces voor mij zeker nog niet afgelopen. Pythagoras, Archimedes en Fibonacci (tja) waren vanaf toen onze nieuwe huisgenoten.

En ik weigerde om daar bang voor te blijven. 

Dus ik bleef in actie. Ik wilde niet alleen dat ik niet meer bang voor ze was, maar ik wilde ze het liefst ook leuk vinden. Dus ik maakte een stappenplan. 

Ik gaf mezelf 2 weken om afstand te houden. Mijn doel was om er na 2 weken eentje op te pakken. Dus ik ging vaak naar ze kijken, zeker wanneer de rest van het gezin met ze aan het spelen was. En af en toe aaide er er eentje, met 1 vinger en ongeveer een halve seconde. 

De confrontatie

Na twee weken stapte ik in de omheining die mijn zoon had gebouwd om op de grond met zijn ratjes te kunnen spelen. En toen waren we bij de start van het verhaal. 

Er klom een rat langs mijn been omhoog. 

Heel spannend natuurlijk. En al een klein beetje schattig.  

En nu? 

Nu, een paar maanden later, vind ik de ratjes leuk. Nog steeds zal ik ze niet zomaar oppakken als er niemand bij is. Maar ik vind ze grappig en schattig. Mijn doel is behaald. 

Maar zijn dit dan de Fasen van Gedragsverandering? 

De kritische lezer heeft vast al opgemerkt: het gaat hier niet om een gedragsverandering zoals ik die meestal beschrijf. Het is geen verandering die dagelijks iets van mij vraagt als het gaat om mijn gedrag. Ik heb de fasen alleen gebruikt om te beschrijven hoe ik bewust wende aan het idee van huisdieren en later aan de huisdieren. 

Wat wél echt zo is, is dat het werken met de Fasen van Gedragsverandering je handelen een volgorde geeft. Je hoeft niet alles tegelijkertijd te doen. Ook van je cliënt hoef je niet van alles tegelijkertijd te vragen. Sterker nog: dat werkt niet en geeft alleen maar meer weerstand. 

Meer weten? 

Wil jij meer weten over de Fasen van Gedragsverandering? 

En wil je meer weten over ratjes? Dan kan je terecht bij mijn zoon!

Vergelijk jezelf niet met anderen

We vergelijken onszelf voortdurend met anderen. Je eigen gevoel wordt, bewust of onbewust, regelmatig bepaald door wat anderen doen of hoe anderen zijn. Herken jij dit? Of helemaal niet…? Ik ben benieuwd of je de voorbeelden in dit blog herkent, van jezelf of anderen.

Ik vergelijk mezelf voortdurend met anderen. Niet bewust. Sterker nog: ik probeer het bewust niet te doen. Maar toch gebeurt het. Misschien herken je iets in onderstaande voorbeelden over mijn lengte en over harp spelen.

Ik word steeds kleiner

Als puber was ik aan het begin van de middelbare school best lang. Samen met andere meisjes schoot ik de lucht in, terwijl de jongens nog op basisschool-lengte bleven. Maar een paar later later was ik in verhouding tot klasgenoten klein, ondanks mijn 1 meter 75.

Eigenlijk vond ik het vooral grappig. Ik was er nooit mee bezig, met lengte. Het beïnvloedde me niet echt.

Dat werd anders toen mijn oudste zoon me een heel eind voorbij groeide. Dat deed iets ingewikkelds in mijn brein. Ik vond het niet erg dat hij langer werd, maar ik voelde me opeens écht klein. Dat was een rare ervaring waar ik wel een paar jaar aan moest wennen.

Ik ben een beginner

Een paar jaar geleden begon ik met harp spelen. Toen ik nog maar een jaar les had, mocht ik meedoen aan een harpdag. Met zo’n 30 harpisten gingen we een dag lang samen liedjes spelen. Ik had van zo’n 10 muziekstukken de eenvoudigste partij geoefend. En van deze eenvoudigste partij speelde ik soms alleen de eerste noot van een maat. 

Als ik het nu zo typ dan denk ik: wauw! Na 1 jaar les had ik al 10 stukken geoefend, waardoor ik mee kon doen met deze dag! Maar tijdens deze dag stond ik er eerst heel anders bij.

Het begon al bij het stemmen. Voor mij was dat nog een ingewikkelde en inspannende klus, terwijl iedereen dat eventjes leek te doen. Vervolgens begonnen een paar mensen hun vingers warm te spelen, terwijl ik dacht: wááát? Is dat eventjes warm spelen? Het klonk voor mij als een volledig concert. 

Vergelijk je jezelf met anderen?

Mijn lengte vind ik niet interessant. Toch merk ik door de ervaring met mijn puber opeens hoe ik beïnvloed word door mensen in mijn omgeving. Hoe wat ik voel soms wordt bepaald door wat zij doen, wat zij vinden of hoe zij zijn. Ik ben me er bewuster van geworden hoeveel invloed dat heeft op hoe ik me voel.

Hetzelfde geldt voor de harpspelers. Het is echt logisch en rationeel helemaal oké dat zij zoveel beter spelen dan ik. Maar toch voelde ik me er heel ongemakkelijk door. Ook al wil ik het niet. Sterker nog: ik wil helemaal niet iemand zijn die zich vergelijkt met anderen.

In het dagelijks leven vergelijken we onszelf echter voortdurend met anderen. Sommige mensen komen naar hun idee niet zo goed uit deze vergelijking. Er zijn altijd anderen die iets beter doen dan zij. Ze denken bijvoorbeeld dat anderen beter zijn in hun werk, slimmer in hun grenzen bewaken, meer geld verdienen, stijlvoller hun huis inrichten, met meer doorzettingsvermogen hun buikspieroefeningen doen, enzovoort. Waardoor we het gevoel krijgen dat we het zelf niet goed doen. Ze vergelijken zichzelf voortdurend met anderen, terwijl ze daar eigenlijk niet gelukkig van worden. 

Of vergelijk je je met een ideaalplaatje van jezelf?

Maar er zijn ook mensen, inclusief ikzelf, die zich regelmatig vergelijken met een ideaalplaatje van zichzelf.

  • Eigenlijk zou ik elke dag willen wandelen/sporten/yoga doen….
  • Eigenlijk wil ik dat foto-album van 7 jaar geleden nog afmaken…
  • Eigenlijk wil ik mijn huis veel beter opruimen…

Maar…. ik doe het dus niet.

En ook al heb ik deze week wel 4 dagen gewandeld, ook al heb ik wél een geweldige fotomuur voor mijn moeder gemaakt en ook al heb ik wél twee kamers geschilderd, het knaagt toch.

Ik ben me aan het vergelijken met het ideale plaatje van mezelf.

Wat is handiger om te doen?

Het is heel makkelijk om te zeggen: vergelijk jezelf niet met anderen of met je ideale zelf. Het is veel lastiger om dat ook niet te doen.

In het geval van vergelijken met anderen is het denk ik belangrijk dat je je hiervan bewust bent. Er zijn vast thema’s waarin jij dit niet doet, maar ook thema’s waarin jij dit wel doet. Ik geloof zelf dat we op een aantal punten een zekere vergelijking en ordening nodig hebben. Dat komt ook door mijn scholing in het systemisch denken, waar (volg)orde een belangrijke rol speelt. Maar ik denk óók dat je je niet op elk thema wilt vergelijken met anderen.

Mijn advies: Wees je bewust met welke thema’s jij je snel vergelijkt met anderen. En onderzoek wat dit voor je betekent. Waarom doe je dit eigenlijk?

Als jij jezelf regelmatig met je ideale toekomstige zelf vergelijkt, probeer dan eens het volgende:

  • Vergelijk je eens met jezelf van 1, 3 of 10 jaar geleden.
  • Wat doe je anders? Wat gaat er beter? En hoe heb je dat zo voor elkaar gekregen?
  • Vier waar je nu staat! Dat positieve gevoel gaat je écht meer helpen dan focussen op wat je allemaal nog wilt of moet.

Samengevat

Het is makkelijk om te zeggen dat je je niet moet vergelijken met anderen of met je eigen ideale plaatje. Het is lastiger om dat ook echt niet te doen. Wat kan helpen is dat je je bewust bent op welke thema’s je je snel met anderen vergelijkt. En vergelijk jezelf ook eens bewust met jezelf van een paar jaar geleden.


Ik schreef in december 2019 een artikel over harp spelen dat ik in juli 2022 heb opgesplitst en uitgebreid naar 3 verschillende blogs. Dit blog was onderdeel van het artikel.